Artikel uit De Twentsche Courant Tubantia van 25-09-2004


Blowen op het marktplein


Door René Schabos


Jan-Maarten ten Brinke staat al vanaf zijn vijftiende op het plein in Vroomshoop te blowen. Hij maakt aan den lijve mee was het is. Het avontuur, opstandig zijn, de pillen en poeders en nu het afkicken.VROOMSHOOP - Na acht jaar drugsgebruik vindt hij het welletjes. 23 jaar is hij nu en het wordt tijd aan zijn toekomst te werken. Volgende maand gaat Jan-Maarten ten Brinke drie weken naar een afkickcentrum in Enschede. ‘Het afkicken zelf is niet zo’n probleem. Maar ze bieden ook hulp m’n leven een beetje op regel te krijgen.’
Het afgelopen jaar heeft hem geleerd dat drugs niet de oplossing zijn.

In het voorjaar was hij betrokken bij een ernstig autoongeluk. Zelf kwam hij er redelijk vanaf, maar z’n beste vriend was er lelijk aan toe. ‘Dat doet wat met je. Ik zat thuis, had geen werk. Ik dacht dat ik de speed nodig had om te functioneren. Maar het ging steeds slechter met me.’
Inmiddels heeft hij het ergste achter de rug en wil Jan-Maarten ten Brinke over zijn drugsgebruik praten. Het openbare debat afgelopen woensdag in hotel Zandwijk, waar hij bij aanwezig was, deed hem inzien dat hij zich niet hoeft te schamen.
Een jaar of vijftien was hij toen hij z’n eerste jointje rookte. ‘We stonden vaak met een groepje vrienden bij de jop op het Formidoplein. Op school in Almelo had ik van een klasgenoot weed gekregen. Dat had ik meegenomen om samen te proberen. Alles delen, he.’
De eerste joint smaakte naar meer. Thuis blowen kon niet, de ouders wisten van niks. Dus zochten de vrienden het plein op. Anderen sloten zich aan. Ze bezochten hardcorefeesten en discotheken in Duitsland. En er kwamen pillen en poeders. XTC, speed. ‘Je wilde wat ontdekken, het was spannend’, zegt hij.


De opleiding aan het ROC maakte hij niet af. ‘Vlak voor het examen ben ik afgehaakt. Door de speed was ik opstandig, ik had een grote mond, deed gekke dingen. Voor het slapen gaan rookte ik altijd een joint. Anders kan ik niet slapen, dacht ik.’
De Vroomshoper ging werken. Op zijn negentiende werd hij stucadoor.

Overdag op de bouw en ’s avonds op straat. Toen hij een vriendin kreeg was hij er twee jaar lang uit. ‘Ze zag de drugs niet zitten. Maar nadat de relatie uit was kwam ik weer terug in de groep.’ Het Formidoplein werd verwisseld voor het marktplein. Ten Brinke gaat bijna elke avond. ‘Een jointje roken en een beetje slap lullen.

We gedragen ons rustig, hebben geen grote mond. De omwonenden kunnen hooguit last hebben van muziek.’
Inmiddels behoort hij tot de groep ‘oudere jongeren’. De ‘jonge jongeren’, jongens en meisjes van een jaar of vijftien, zestien staan apart. ‘Die willen we er niet bij hebben. Sommigen zijn agressief, maken van alles kapot. Zij hebben de mavo afgebroken.’ Maar hij kan zich voorstellen dat hij voor de kinderen een voorbeeld is. ‘Misschien zien ze ons en denken ze: dat willen wij ook. Die zijn stoer. Dat ze daarom ook zijn gaan blowen en pillen slikken.’


Hoe gezellig het ook is op het plein, hij zit liever binnen om een jointje te roken. ‘Als je daar zo staat word je er door de mensen op aangekeken. Alsof je uitschot bent. Als je jong bent is dat misschien een kick, maar als je ouder bent niet meer.’


Thuis blowen is nog geen optie. Jan-Maarten ten Brinke woont nog bij zijn ouders. ‘Ik blow wel op mijn kamer, maar niet in de woonkamer en zeker niet met vrienden. Mijn ouders zien me al aankomen.’